Category: FESTIVAL
12 Juli '09 - 19:30
JAPANNERS STELEN DE SHOW OP NORTH SEA JAZZ FESTIVAL 2009
North sea Jazz Festival, Ahoy Rotterdam - 10 juli 2009
Door Henriet van Rossum met beeld van Fred van Wulften
Vrijdag 10 juli 2009 startte de 34e editie van het North Sea Jazz Festival in Rotterdam. Er was voor ieder wat wils door de duizelingwekkende hoeveelheid acts op het gebied van jazz, pop, funk en blues. Dit zorgt al jaren voor een druk bezocht festival, waarin het festivalterrein op sommige momenten meer op een bijenkorf lijkt. De jaarlijkse prijzen en thema’s op NSJ maken het de bezoeker mogelijk om nieuwe musici of bands te ontdekken die zij/hij nog niet kent en zet een aantal musici extra in de spotlights. Dit jaar was saxofonist John Zorn ‘artist in residence’. De Paul Acket Awards voor ‘Artist Deserving Wider Recognition’ en ‘Special Appreciation’ gingen respectievelijk naar de italiaanse jazzpianist Stefano Bollani en naar musicus/prodcer en presentator Cees Schama. Jorrit Dijkstra won de compositie wedstrijd en het thema voor NSJ 2009 was japanse jazz. Vooral die laatste bleek een verrassing te zijn..
In de hal zette de Hot 8 Brass Band de toon voor het festival. De swingende brassband kreeg de net gearriveerde bezoekers onmiddellijk aan het dansen. Bandleider Bennie Pete wist de enorme kolom lucht in zijn sousafoon zonder moeite in beweging te krijgen. In samenspel met trompet, trombone, sax en snare drum ontstond lichtvoetige muziek met een aanstekelijke vrolijkheid die de juiste sfeer voor het festival neerzette.
Vervolgens naar de zaal waar prijswinnaar Jorrit Dijkstra zijn winnende compositie ten gehore bracht. De titel van de compositie was ‘Pillowcircles’ en bestond uit meerdere delen die simpelweg een nummer hadden gekregen. Grinnikend verbeterde de bandleider en saxofonist zich toen hij een nummer aankondigde als nr. 41. Het had nr. 83 moeten zijn! De compositie bestond uit improvisaties met veel freejazz en minimal music invloeden. Niet erg toegankelijk voor een breed publiek, maar wel met een aantal mooie momenten erin. Naast een mooi gespeelde sopraansolo bracht de band een aantal filmmuziek-achtige fragmenten afgewisseld met strakke ritmisch partijen met veel dissonanten. Het bandgeluid was bijzonder door de viool, banjo en de electronica die Jorrit zelf bespeelde.
Het eerste optreden in de Japanse Jazzclub werd gegeven door Quasimode, een van Japans’ belangrijkste exportprodukten op jazzgebied van dit moment. De zesmansformatie bestaat uit drums, percussie, piano, contrabas, trompet en tenorsaxofoon. De band zette in met een bijzonder dansbaar latin-jazznummer. Vooral de percussionist en drummer vielen op door hun virtuositeit en enthousiasme. De blazers zetten in dit eerste nummer alleen strakke rifs neer. De percussionist en pianist deden het woord tussen de nummers door. De aankondigingen waren charmant doordat zij bijna bescheiden werden voorgedragen in een moeilijk verstaanbaar japans engels. Percussionist Takahiro Matsuoka verzocht het publiek te gaan dansen, omdat jazz dansmuziek is. Bij het tweede nummer riep pianist Hirado Yusuke iedereen nogmaals op te gaan dansen en het lichaam, de armen, de benen, het hoofd, de kont en andere dingen te bewegen. ‘Jazz is geen moeilijke muziek’, zei hij. Het tweede nummer was een feature voor drummer en percussionist. In een dubbelsolo daagden zij elkaar uit met syncopische latin ritmes. De heren genoten zelf enorm van hun ‘wedstrijd’ en zweepten het publiek op tot applaus, gefluit en instemmend gejoel. Het derde stuk was een meer modaal waar geen bijzondere solo’s of andere uitschieters in zaten. De rest van de set bleef Quasimode in de latinjazz feel, waarin hier en daar ook jazzswing zat. De beide blazers en de pianist kwamen verderop in de set beter tot hun recht. Om de beurt stapten trompettist en saxofonist naar voren voor goede solo’s waarin te horen was dat zij een redelijk uitgebreid vocabulaire hebben. In een nummer dat veel op So What van Miles Davis leek, liet tenorist Iwamoto Yoshio horen dat hij naar grootheden als John Coltrane heeft geluisterd. Waar het concert met een halfvolle zaal begon, eindigde Quasimode in een bomvolle zaal met een uitzinnig publiek.
Het volgende bezochte concert was er één dat we niet mochten overslaan. Pianist Hank Jones, 93 jaar, speelde met basgrootheid George Mraz en Willie Jones III op drums. Hank Jones komt uit een muzikale familie, waarin de broers Elvin, Thad en Hank alledrie grote namen in de jazz zijn geworden. Elvin Jones, de drummer, is bekend van o.a. zijn tijd bij John Coltrane. Thad Jones, was orkestleider en trompettist. Hank maakte o.a. deel uit van de bezetting van Norman Granz’s Jazz at the Philharmonic concerten. Hij was van 1948 tot 1953 de begeleider van Elly Fitzgerald. Gedurende deze periode maakte hij ook meerdere historisch belangrijke opnames met Charlie Parker voor Norman Granz's platenlabels.
Hank Jones werd het podium op geleid door Hilde Slinger, de vrouw van overleden pianist Cees Slinger. De jazzgrootheid vertelde het publiek blij te zijn dat hij mocht spelen en grapte dat als hij niet goed zou presteren het publiek hem de stad uit mocht jagen. Hank Jones speelde met zijn trio achtereenvolgens stukken als Lady Luck, Recordame, Lament, Stella by Starlight, Round about Midnight, Lonely Woman, Twisted Blues, Interface en sloot af met Speak Low. Er was absoluut niet te horen dat Jones al 93 jaar was. De thema’s werden mooi neergezet en zijn solo’s waren kort maar goed. Helaas ontstond er storend geluidsoverlast van de zaal ernaast. Dit was erg vervelend aangezien het trio op een zeer beschaafd geluidsniveau speelde. George Mraz maakte een aantal mooie solo’s en ook Willie Jones drumde verdienstelijk. Helaas werd het nergens erg dynamisch. Het leek alsof Jones’s begeleiders zich inhielden qua dynamiek en volume. Ondanks dat was het een prima concert. Het was bijzonder om één van de jazzlegenden in levende lijve met veel plezier en vakmanschap bezig te zien.
Het één na laatste concert in de Japanse Jazz Club was van Soil & Pimp sessions, één van de andere zeer succesvolle jazzbands uit Japan. De presentatrice kondigde de band aan als 5 musici en 1 pooier die de club naar een hoger niveau zullen brengen. De band kwam op in zeer bonte kledij die enigszins aan de outfit van de band van George Clinton deed denken. De altsaxofonist met roze punkhaar, de trompettist met een fantastische pet en de frontman als een kruizing tussen een pooier en Elvis Presley. De drummer leek qua uiterlijk maar ook qua dynamiek en overgave in zijn spel op Jeff “Tain” Watts. Voor het overige hield elke vergelijking met iets anders op en zette de band in 2 minuten de zaal op zijn kop met de zeer energieke ‘Death Jazz’ die zij maken.
De muziek is een cross-over tussen pure jazz, latin jazz, punk, funk, ska. De heren speelden met bijzonder veel vuur en energie en zogen de zaal daarin mee. De frontman deed eigenlijk niets. Hij leek een ceremoniemeester die zowel musici als publiek opzweepte en daarin bijzonder goed slaagde. De overgangen in de nummers werden naadloos strak gespeeld. In de solo’s werd duidelijk dat de musici meer konden dan alleen snelle energieke riffs. Diverse virtuoze solo’s kwamen voorbij. De pianist bleef op de achtergrond, maar verraste met verbazingwekkende goede solo’s die duidelijk door Herbie Hancock beïnvloed waren. Ook de sound van de contrabassist bleef recht overeind in het geweld van de death jazz. Hij maakte bijzonder veel snelheid op zijn bas en genoot van de onderonsjes met de drummer om superstrakke breaks en accenten neer te zetten. Er valt nog veel meer over dit concert te zeggen, maar het beste is om het zelf te bezoeken of te bekijken via internet.
Het slot van de avond vormde het Joshua Redman trio. Redman speelde met Reuben Rogers op contrabas en Gregory Hutchinson op drums. Aangezien ik Joshua’s laatste cd Compass wat moeilijk toegankelijk en fragmentarisch vond, was ik erg benieuwd naar het concert.
De band startte met het nummer Surrey with a fringe on top. Ik moest mijn laatste indruk van Redman onmiddellijk bijstellen. Niks fragmentarisch, de jazz-groove zat er onmiddelijk goed in. Even had ik de associatie met Trio Jeepy van Branford Marsalis, de cd waarin Branford ook zonder akkoordeninstrument speelt. Redman’s trio speelde bijzonder hecht en intens. Reuben Rogers legde in sommige nummers een ‘gemakkelijk’ funky baspatroontje neer, maar deed in andere nummers prachtige traditionele walkingbaslijnen. Ook in zijn melodische solo’s werd duidelijk dat hij één van de grote jongens op jazzbasgebied is met een uitgebreid vocabulaire. Drummer Gregory Hutchinson ondersteunde de andere twee met subtiel of juist opzwepend slagwerk en wist zelf ook zeer spannende en overweldigende solo’s neer te zetten. Ook Redman was bijzonder goed op dreef en leek meer van de oude spirit uit zijn begin periode te hebben. Zijn solo’s zaten vol dynamiek en emotie. Bijzonder was dat het trio zo goed op elkaar inspeelde dat het samenspel echt meer was dan het spel van de afzonderlijke musici. Een buitengewoon mooie afsluiter van een verassende avond North Sea Jazz.